Column Jean Pierre Rawie over Schrijvers aan de Toog

Gepubliceerd op: 9 december 2022 10:21

Jean Pierre Rawie was één van de dichters die tijdens Schrijvers aan de Toog zijn werk in kroegen als Wijning en Café 't Spul ten gehore bracht. Uit de column, die hij vervolgens over zijn Schiedamse belevenis schreef voor het Dagblad van het Noorden, kunnen we opmaken dat het nog lang onrustig was in de Schiedamse binnenstad.

Ware Liefde

Lange tijd ben ik vroeg gaan slapen, maar deze goede gewoonte was kortelings onderhevig aan een heftige onderbreking. Dat zat zo. Ik was gevraagd voor wat ik niet anders dan een marathonoptreden kan noemen in Schiedam: ’s middags een praatje in het aldaar gevestigde Genevermuseum, en vervolgens, na een eenvoudige maaltijd, nog eens drie poëzievoordrachten op verschillende locaties.

In dat Genevermuseum bleek ik ergens in de vorige eeuw al eens het woord gevoerd te hebben, maar omdat ik toen zelf nog spiritualia gebruikte, wist ik daar weinig meer van. Mijn gehoor bestond uit een veertigtal geïnteresseerde dames en heren, die tot mijn verwondering bijna allen witte wijn dronken. Op mijn vraag of dat hier wel mocht, betoonde de directie zich dusdanig ruimdenkend, dat ik er ook eentje voor mijzelf liet aanrukken.

Ik besloot mijn betoog met de waarschuwing uit het Bijbelboek Spreuken: ‘De wijn is een spotter,’ hield ik mijn luisteraars voor, ‘de sterke drank is woelachtig; al wie daarin dwaalt, zal niet wijs zijn.’ De genodigden gingen rijker heen dan ze gekomen waren.

Schiedam, moet u weten, is een zeer literair stadje. Niet slechts dat Piet Paaltjens zich daar had verhangen, ook Elsschot heeft er gewoond, evenals Carmiggelt en Annie Schmidt, en natuurlijk Gerard Reve. Het feit dat het het middelpunt van ’s lands geneverproductie was, zal daar niet vreemd aan geweest zijn.

Mijn declamaties zouden plaatsvinden in drie onderscheiden cafés, want ik was onderdeel van een groot festival dat ‘Aan de Toog’ heette. Ik had daar een beetje een hard hoofd in, maar in elke gelegenheid trof ik een aandachtig luisterend publiek. Het enige nadeel, als je veertien schrijvers terzelfder tijd laat optreden in één der talloze plaatselijke etablissementen, is een zekere verdunning, want zelfs in een zo musisch oord als Schiedam zijn de letterlievenden op een gegeven ogenblik op.

Na afloop zette ik het met enige kunstbroeders en wat meelopers tot ver na middernacht op een onbekommerd innemen (zie boven), wat ik daags nadien heb moeten bezuren; mijn woeste jaren liggen achter mij.

Onder de nazitters bevond zich een elegant geklede man van een jaar of vijftig, die alle vier mijn lezingen had bijgewoond, en die mijn werk, zowel gedichten als verhalen, grotendeels uit het hoofd kende. Dat is al bijzonder, maar het werd nog een stuk merkwaardiger toen hij me toevertrouwde in het dagelijks leven bordeelhouder te zijn in Rotterdam.

Niet door enige schroom gehinderd, vertelde hij daar honderduit over. Zo leerde ik dat het nogal lastig is de woningen boven de peeskamertjes te verhuren; dat was eigenlijk alleen mogelijk aan studenten, die dan een centje konden bijverdienen door boodschappen voor de dames te doen en hun hondjes uit te laten.

Soms was het om één of andere reden nodig een paar prostituées uit de vuurlinie te halen, die hij dan tijdelijk huisvestte in de Groningse rosse buurt. Af en toe zocht hij hen op, zoals het een gewetensvolle werkgever betaamt, en was verbaasd opeens een in Rotterdam bovenwonende student te zien die met het betreffende meisje was meeverhuisd.

Er zijn momenten dat ik het betreur geen romanschrijver te zijn.  

-Jean Pierre Rawie-


Foto: Berten Steenwegen

Foto-impressie Schrijvers aan de Toog 2022